Oprecht medeleven

Door Brenda de Coninck 

Foto: Shutterstock

Daar gaan we dan. Ik moet er eerst voor zorgen dat ik haar in de auto krijg. De overstap van de rolstoel naar de voorbank is al een onderneming op zich. Ze heeft bijna geen kracht meer in haar spieren en houdt de deur en het dak van de auto vast als steun- en leunpunt. ‘Ik vind het gewoon eng om je moeder zo te zien stunten. Op een dag gaat het mis en valt ze naast de auto’ had mijn man een keer gezegd toen ze met een plof op de voorstoel terechtkwam. En ook nu zie ik haar dat doen. ‘Zo, ik zit’ zegt ze monter. Klagen doet ze niet, ondanks alle ellende. Ik doe de deur naast haar dicht en ga aan de slag met de rolstoel. Als die opgevouwen achterin ligt, rijden we weg, richting Amsterdam.

Aangekomen in de centrale hal van het academische ziekenhuis voelt het weer als vanouds, hoewel er behoorlijk wat veranderd is sinds ik zeven jaar geleden vertrok naar het UMCG om mee te doen aan het DIPAK-onderzoek. Om mij heen zie ik nieuwe winkels, balies en restaurants. Het ene ontwerp is nog mooier dan het andere. De laatste keer dat ik hier was, zetelde de afdeling nefrologie in de kelder; nu moeten we weer met de lift naar boven. Waarom afdelingen toch zo vaak verhuizen is mij een raadsel, denk ik als ik in de lift sta.

Als de deuren opengaan, zien we even verderop een jongedame achter een tafel en naast haar een aantal computers op palen. Het is de bedoeling dat we ons zelf aanmelden. Ik vind het een gedoe voor mijn moeder. Ze zal hier nooit meer terugkeren en moet zich toch verdiepen in een nieuw systeem. De lading die aan dit bezoek kleeft, wordt bij mij ineens merkbaar. Ze komt hier om afscheid te nemen van haar nefroloog. Voor altijd. Omdat ze er waarschijnlijk over drie maanden niet meer is. Ik adem even wat meer lucht in, om het vervelende gevoel weg te zuchten. Het helpt een beetje. Ik duw haar in de rolstoel naar de poli en ik neem plaats op de bank die tegen de muur van de smalle gang staat. Mijn moeder zit naast mij. Op een paar meter afstand zie ik deuren waarachter spreekkamers schuilen. Achter een van hen zit dr. Montfoort. ‘Hoe laat hebben we een afspraak?’ vraag ik en kijk naar rechts. ‘We zouden ongeveer nu aan de beurt moeten zijn.’ Ze kijkt langs mij heen naar mensen die voor de balie staan om nieuwe afspraken te maken. We zijn stil. Na nog tien minuten wachten gaat ineens een deur open en hoor ik dr. Montfoort. Ze neemt afscheid van een patiënt en ik hoor iets over een nieuwe afspraak maken.

‘Mevrouw Hillebrink.’ De stem van de nefroloog klinkt vragend. Ik sta op en pak de handvatten van de rolstoel. Zonder woorden rijd ik mijn moeder naar binnen. In de spreekkamer is het even een gedoe om de rolstoel te parkeren, maar het lukt. Ik zit recht tegenover de nefroloog, mijn moeder zit rechts van mij, bijna naast de tafel waar de nefroloog achter zit. Achterin de kamer zie ik een jonge vrouw, een meisje welhaast. Dr. Montfoort stelt haar voor als een student in opleiding. Ze focust zich daarna als eerste op de computer en vertelt dat voor wat betreft de nieren van mijn moeder alles er goed uitziet. ‘De uitslagen zijn stabiel’ zegt ze bijna plichtmatig. Ik stel nog een vraag over een medicijn dat mijn moeder slikt en die beantwoordt ze vakkundig. Daarna draait ze haar hoofd naar haar patiënte en kijkt haar vol medeleven aan.

‘Dat na alles wat u heeft meegemaakt, deze ziekte u óók nog bezoekt, stemt mij heel verdrietig.’ De manier waarop ze praat klinkt oprecht meelevend. Tijdens het uitspreken van de zin, hangt de rechterkant van haar fragiele bovenlichaam lichtjes voorover op de tafel, ondersteund door een arm. Haar hoofd houdt ze schuin naar rechts. Mijn moeder knikt. Ze heeft moeite met praten omdat ALS alle spieren aantast, ook die van je mond. Als ze met elkaar in gesprek raken, komt het onderwerp op de zeer onzekere toekomst die mijn moeder tegemoet gaat. ‘Ik wil wel een kaart’ zegt de nefroloog ineens met luidere stem en kijkt mij aan. Ik beweeg mijn hoofd op en neer. ‘Ik zorg ervoor dat u een kaart krijgt’ beloof ik. Het is gek. Deze vrouw heeft een klassieke gedecideerdheid die mij een gevoel van afstand geeft, maar tussen mijn moeder en haar merk ik daar niks van. In het verleden vertelde mijn moeder regelmatig over het onderwerp van hun gesprekken, waarbij ze overeenkomstige ervaringen deelden die tijdens hun beider leven sporen hebben nagelaten.

Met het delen van die ervaringen - en ook nu weer - lijkt de vousvoyerende vorm die ze beide aanhouden geen afbreuk te doen aan de wederzijdse toenaderbaarheid. Het Nederlands van de nefroloog is van een bijna dichterlijke schoonheid, verfijnd. Elk woord klinkt gearticuleerd en afgewogen. Ze bekleedt een belangrijke positie en zou zich makkelijk verheven kunnen voelen boven de mensen in haar spreekkamer. Mijn moeder is geboren in de Jordaan. De bijbehorende Amsterdamse tongval is nog altijd hoorbaar. Haar leven heeft zich voornamelijk in huis afgespeeld, waar ze voor haar gezin zorgde. Maar ondanks dit verschil zit het gewoon goed tussen hen. Ik heb nog nooit zo’n terughoudende nabijheid - welhaast een contradictio in terminis - aanschouwd. Ik kijk er met lichte verbazing en verwondering naar. Er is tegelijkertijd warmte én beheersing. De nefroloog blijft in haar rol van arts en mijn moeder blijft in haar rol van patiënt. Maar op sommige momenten tijdens het gesprek vallen bijna ongemerkt hun rolidentiteiten weg. Wat dan overblijft is gelijkwaardigheid, een gesprek van mens tot mens.

Wat ik had willen voorkomen, lukt mij niet. Als de toekomst van mijn moeder wordt besproken, houd ik het niet droog. Mijn moeder kijkt naar links, ziet mijn tranen, wappert afwerend met haar hand, alsof ze de tranen zo kan stoppen, maar breekt dan zelf ook. Dat is het moment voor de arts om op te staan. Ze loopt naar mijn moeder toe, ondertussen iets stamelend over afscheid en ‘goed gaan’ en dan zie ik haar gezicht. Haar ogen zijn vochtig. De professor is tot tranen toe bewogen. Ze pakt de beide handen van mijn moeder, buigt voorover en geeft haar een zoen op haar wang. Ik kijk er ontroerd naar. Ondanks hun verschillen overstijgt het lot van mijn moeder tijd, ruimte en afkomst.

Als we naar buiten gaan, slaak ik een diepe zucht. De koelte van de gang doet mij goed. Pfffffft…. denk ik. Dat meisje achterin de spreekkamer weet niet wat haar overkomen is. Als deze arts in wording ooit een voorbeeld had willen meemaken over wat compassie binnen de zorg inhoudt, dan heeft ze dat nu gezien en ervaren.

Waar een kleine professor, groot in kan zijn.

Gepubliceerd: zondag 11-11-2018 | Reacties (1)

Reageer op dit artikel

  • Louis Ekas, Hulshorst
    12-11-2018 09:37

    Hierbij past maar één woord: WAUW! En maar één beweging: een diepe buiging ...

Recente artikelen

NierNieuws en zijn adverteerders maken soms gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.
Ons Pricaystatement vindt u hier


NierNieuws en zijn adverteerders maken soms gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.
Ons Pricaystatement vindt u hier