Verhoogd sclerostine geen extra risico op hart- en vaataandoeningen

Door Merel Dercksen 

Na een niertransplantatie daalt de hoeveelheid sclerostine die nierpatiënten in hun bloed hebben vrij snel. Daarvoor is de stof, die een rol speelt in de bothuishouding, vaak verhoogd. Op korte termijn lijkt een hoge bloedspiegel van sclerostine voor dialysepatiënten juist gunstig: het gaat samen met een verlaagd risico op overlijden aan hart- en vaataandoeningen.

Sclerostine is een peptide, een soort klein eiwit, dat door botcellen wordt uitgescheiden. Een hoge bloedspiegel van deze stof remt de aanmaak van bot. Mensen met een nierfunctiestoornis hebben vaak te veel sclerostine in hun bloed. Het lijkt erop dat dit een rol speelt in het ontstaan van osteoporose die vaak optreedt bij nierfalen. Ook heeft het invloed op de calcificatie van vaatwanden, een ander onwenselijk symtoom bij nierfalen. Zwitserse onderzoekers vroegen zich af wat er gebeurt met de sclerostinespiegel wanneer nierpatiënten getransplanteerd worden.

Ze hebben deze spiegels gemeten bij 42 nierpatiënten: zowel voor hun transplantatie als op gezette tijden in het eerste jaar erna. Ook bepaalden ze de botdichtheid met behulp van röntgen. Bij alle patiënten was de sclerotinespiegel voor transplantatie verhoogd, met een gemiddelde van 62 pmol/l. Normale waarden liggen tussen de 20 en 30 pmol/l. Binnen 15 dagen na transplantatie daalde deze spiegel zodanig dat die bij sommige patiënten zelfs onder de ondergrens van de normaalwaarden uitkwam.

De daling die de onderzoekers zagen vertoonde een verband met de mate waarin de nierfunctie van de patiënten verbeterde. Ook zagen de onderzoekers dat de spiegel in de loop van een jaar weer wat steeg, maar nog steeds op een gemiddelde van 28 pmol/l bleef. Hoe hoger de spiegel voor de transplantatie, hoe groter de kans dat die in het eerste jaar na transplantatie weer steeg. De onderzoekers hebben geen verband gevonden tussen de sclerotinespiegel na transplantatie en de botdichtheid.

Terwijl de hoeveelheid sclerotine in het bloed snel daalt, blijven de spiegels van het bijschildklierhormoon, ook een maat voor de botstofwisseling, nog langer verhoogd. Intussen blijkt uit de Nederlandse NECOSAD-studie dat er bij dialysepatiënten nog wel een duidelijke relatie is tussen sclerostine en intact bijschildklierhormoon. Maar de eerste gedachte dat hoge spiegel van deze hormonen een sterke verstoring van de calciumfosfaathuishouding betekenen en daarom het risico op hart- en vaataandoeningen wel zullen verhogen, blijkt niet juist.

Onder de deelnemers aan de NECOSAD-studie liepen degenen met de hoogste sclerotinespiegels juist het minste risico om in de eerste anderhalf jaar na de start met dialyse te overlijden, zowel over all als aan hart- en vaatziekten. Na vier jaar is dit verschil vrijwel verdwenen. Of hier sprake is van een oorzakelijk verband, zal verder onderzocht moeten worden.

Gepubliceerd: maandag 29-09-2014
Bron: Kidney & Blood Pressure Research | Nog geen reacties

Reageer op dit artikel

    Gerelateerde artikelen

    Recente artikelen

    NierNieuws en zijn adverteerders maken soms gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.
    Ons Pricaystatement vindt u hier


    NierNieuws en zijn adverteerders maken soms gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.
    Ons Pricaystatement vindt u hier