Mail: redactie@niernieuws.nl | 030 - 288 9994 | NL16 TRIO 0197 707866



Reageer | Verstuur | Druk af   

Ik hoor al niet meer wat ze zeggen

Door Brenda de Coninck 

Het is warm buiten. Een zachte bries waait de auto binnen als we wat meer snelheid maken. 'We gaan eerst even naar mijn huis mammie. Ik ben meteen vanuit mijn werk naar jou toegekomen en ik heb nog wat spullen nodig voor als ik een paar dagen bij jullie blijf.' We rijden een bekende gracht op, die ons over een minuut of tien naar de afslag van haar straat zal brengen. Ik had er niet meer bij stilgestaan, dat ze nog naar huis moest. Liever was ik meteen naar huis gegaan, maar het is niet anders. Als we de hobbelige straatjes van de binnenstad inrijden, voel ik het getril in mijn wond. Hij doet een beetje pijn - ik leg automatisch mijn rechterhand op mijn litteken.

Binnen ga ik op haar bed zitten, terwijl Moira de spullen bijeenzoekt. Ongemerkt ben ik vandaag al veel op geweest. Dat feit, tezamen met het inpakken en wachten op de apothekersassistenten, zorgt er nu voor dat het eigenlijk teveel voor mij wordt. Ik sla haar gade, terwijl ze haar uiterste best doet om op te schieten. De pijn aan de rechterkant van mijn buik neemt toe. Ik blaas wat spanning weg. 'Gaat het mam?' Ondertussen pakt ze wetboeken en andere zaken voor haar werk bij elkaar. 'Hmmm…' is mijn antwoord. 'Ik merk dat ik pijn begin te krijgen. Ik ben vandaag veel op geweest en dat ga ik nu merken.' 'Ik doe mijn best. Ben zo klaar' zegt ze schuldbewust.

In de auto voelen de waalsteentjes nóg vervelender aan dan op de heenweg. Als we op het moderne asfalt rijden, neemt de pijn af. Het is druk op de A7. Omdat de airco stuk is, staat het raam een beetje open. Bij de rotonde van Joure veranderen we van richting en komt de zon via de voorruit naar binnen. Vanaf dat moment is de combinatie vermoeidheid, een zoemende wind door het openstaande raam en de zon in mijn gezicht het recept voor slaap. Tot aan Flevoland vertrouw ik volledig op de stuurkunsten van mijn jongste en ik word pas weer wakker als we van de snelweg afgaan.

Na een kwartier rijden we onze straat binnen. Vanuit de verte zie ik dat de vlag uithangt. Als we aankomen en ik voorzichtig uit de auto stap, gaat de voordeur al open. Mijn man staat stralend met zijn armen wijd in de deuropening om mij te begroeten. 'Welkom thuis!' roept hij enthousiast. We geven elkaar een dikke knuffel. De spullen worden uit de auto geladen: ik hoef niets te doen. Eenmaal binnen, zie ik dat de tuindeur wagenwijd open staat. 'Kom, ik heb een stoel voor je klaargezet. Ga maar lekker in de tuin zitten.' Buitengekomen zie ik niet alleen mijn stoel, maar een complete opstelling met parasol, een tafel met lekkers en zelfs een windmachine. Mijn eega schuift een tweede stoel onder mijn voeten en ik moet beloven te blijven zitten. Dat doe ik braaf, behalve om naar het toilet te gaan. Het voelt als een feest dat ik weer thuis ben. Tjonge: vorige week lag ik nog in een ziekenhuisbed – de-avond-ervoor-avond - en nu zit ik alweer in mijn tuin in een lekker plekje in de schaduw. Het leven is goed.

'Ik heb iets voor je bedacht vanavond: een van je lievelingsrecepten. Hier heb je wat te drinken en laat mij het eten maar maken.’ Ik kijk hem na terwijl hij energiek de keuken inloopt. Zes dagen geleden heeft hij een nefrectomie ondergaan. Een operatie die vier uur duurde, en nu loopt hij de keuken in om het eten te maken. Niet te geloven. Als het eten klaar is, krijg ik een bord op schoot met gebakken rolletjes kip met rode pesto en kaas, een salade en patat zonder zout. Ik zal altijd zoutarm blijven eten, gewoon, omdat het veel lekkerder is. Maar ik permitteer mij nu wel wat meer vrijheid dan de ongeveer 3,5 a 4 gram waaraan ik mij hield. Als ik naar mijn bord kijk, tel ik automatisch de cherrytomaatjes i.v.m. de aanwezige kalium. Ineens realiseer ik mij: dat hoeft niet meer! Ik staar voor mij uit en glimlach. Na al die jaren van tellen en opletten, kan ik nu de teugels wat meer laten vieren en lekker (veel) groenten eten.

Dierbare vrienden komen onverwacht langs met een bos bloemen. Als zij een drankje krijgen, geniet ik van een heerlijke cappuccino met een zalig stukje chocola. Ik laat mij achterover zakken in de stoel en luister naar de gesprekken die worden gevoerd. Ik hoef even niet mee te doen. Vind het wel best zo.

Dan merk ik pijn in mijn wond, ook al zit ik alleen maar te zitten. Onze vrienden nemen rond 22:00 uur afscheid en ik loop de trap op naar boven, onderweg denkend aan de bulderfysiotherapeute, die vast tevreden zou zijn geweest met mijn tred. Na de avondrituelen loop ik van de badkamer naar de slaapkamer, waar een knisperend schoon bed op mij wacht.

En dan is het moment daar. Ik glijd onder het dekbed en voel het zachte matras mijn lichaam overal ondersteunen - alsof ik in watten lig. Mijn hoofdkussen sluit precies aan bij mijn hoofd. Ik verbaas mij erover dat ik nooit eerder heb opgemerkt hoe heerlijk mijn bed is. Mijn mooie meiden staan in de badkamer een beetje met elkaar te lachen en te kletsen. Ik hoor niet wat ze zeggen. Hun stemmen hebben op mij dezelfde uitwerking als de cadans van een trein die je op de achtergrond hoort. Het geluid van hun conversatie zakt steeds verder weg, tot het verstomt tot een gedempt gemurmel.

En dan val ik ongemerkt in een heerlijke, helende… slaap.

sterren Gepubliceerd: zaterdag 16-12-2017 | Nog geen reacties




Oprecht medeleven

Daar gaan we dan. Ik moet er eerst voor zorgen dat ik haar in de auto krijg. De overstap van de rolstoel naar de voorbank is al een onderneming op zich. Ze heeft bijna geen kracht meer in haar spieren en houdt de deur en het dak van de auto vast als steun- en leunpunt. ‘Ik vind het gewoon eng om je moeder zo te zien stunten. Op een dag gaat het mis en valt ze naast de auto’ had mijn man een keer gezegd toen ze met een plof op de voorstoel terechtkwam. En ook nu zie ik haar dat doen. ‘Zo, ik zit’ zegt ze monter. Klagen doet ze niet, ondanks alle ellende. Ik doe de deur naast haar dicht en ga aan de slag met de rolstoel. Als die opgevouwen achterin ligt, rijden we weg, richting Amsterdam.

Aangekomen in de centrale hal van het academische ziekenhuis voelt het weer als vanouds, hoewel er behoorlijk wat veranderd is sinds ik zeven jaar geleden vertrok naar het UMCG om mee te doen aan het DIPAK-onderzoek. Om mij heen zie ik nieuwe winkels, balies en restaurants. Het ene ontwerp is nog mooier dan het andere. De laatste keer dat ik hier was, zetelde de afdeling nefrologie in de kelder; nu moeten we weer met de lift naar boven. Waarom afdelingen toch zo vaak verhuizen is mij een raadsel, denk ik als ik in de lift sta.

Lees meer »

Hoezo 'mijn' UMCG? »

‘Ah! Kijk, daar kun je je inschrijven voor ‘mijn UMCG’. Hè, eindelijk. Dan kan ik net als jij de uitslagen meteen zien als ik thuiskom. Bij jou vind ik dat ook altijd zo top, als je terugkomt uit Amsterdam. Kom, laten we er meteen naartoe gaan.’ Met mijn pas en een big smile neem ik plaats achter een van de opgestelde tafels met computer. Een jongedame aan de andere kant loodst mij door het inlogprogramma heen. Mijn man kijkt over mijn schouder mee.

Lees meer »

Een stukje leeft door na je dood »

'Moira wil zondag nog een keer naar je vader toe. Ik denk dat dat een goed idee is. Dan kunnen we je moeder ook meenemen. Misschien is het wel de laatste keer.' Ik knik. 'Zondag moet ik naar een afspraak die ik niet kan afzeggen. Ik ga maandag. Renée gaat dan waarschijnlijk ook mee. Fijn dat jullie mijn moeder meenemen.' Mijn vader is al een poos ernstig ziek. Door Alzheimer is hij van een vrolijke Amsterdamse rouwdouwer met een blanke pit, veranderd in een zielig hoopje mens.

Lees meer »







NierNieuws en zijn adverteerders maken soms gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.
Ons Pricaystatement vindt u hier