Mail: redactie@niernieuws.nl | 030 - 288 9994 | NL16 TRIO 0197 707866



Reageer | Verstuur | Druk af   

Ik had haar moeder kunnen zijn

Door Brenda de Coninck 

DEEL 3 - Terwijl ik nadacht over het onderwerp van dit feuilleton, vroeg ik mij af of er meer patiënten zijn zoals ik, die het prettig vinden om een goed contact op te bouwen met een behandelend arts. En met ‘goed’ bedoel ik een relatie die gebaseerd is op samenwerking en gelijkwaardigheid, in plaats van de meer traditionele, waarbij de arts een leidende rol heeft. Ik ben benieuwd naar jullie reacties.

De eerste kennismaking met de arts-onderzoeker in het UMCG was gelukkig een prettige. Terwijl ik in de wachtruimte zat, zag ik haar aankomen: een blonde krullenbol met een open blik. Ze stak haar hand uit en liep mij voor naar de spreekkamer.

Binnengekomen nam ik plaats in de aangewezen stoel. Ze was nog even in de weer met papieren en dat stelde mij in de gelegenheid haar onbespied gade te slaan. Een kennismaking heeft de eerste seconden iets weg van je plek zoeken ten opzichte van de ander. Onbewust worden tijdens een eerste ontmoeting allerlei psychologische processen in gang gezet.

Wat mij opviel, was haar jeugdigheid. Ik merkte dat ik haar met vertedering gadesloeg. Hoe oud zou ze zijn? Waarschijnlijk rond de leeftijd van mijn oudste dochter. Ach ja... toen ik haar leeftijd had was ik net getrouwd en in verwachting van mijn eerste. Naar haar kijkend, realiseerde ik mij hoe jong ik toen eigenlijk was, terwijl ik mij destijds al heel volwassen voelde. En dat was zij natuurlijk ook.

Ze keek mij aan en begon mij allerlei vragen te stellen die hoorden bij het onderzoek, waarbij ze mij keurig met ‘u’ aansprak. Ik voelde mij ineens oud. En ik haar ogen was ik waarschijnlijk ook ‘oud’. Iemand die haar moeder had kunnen zijn. En dat schiep een gevoelsmatige afstand – iets wat ik nou precies niet wilde. Hoe kon ik contact met haar opbouwen?

Daarnaast merkte ik een lichte teleurstelling bij mezelf over het feit dat alleen zij tegenover mij zat. Ik had de arts die dit project leidde tegenover mij verwacht, al was het alleen maar om mij welkom te heten en mij daarna over te laten aan zijn assistent. Natuurlijk:  mijn volwassen deel snapte dat deze man het waarschijnlijk te druk had om zich te bekommeren over zoiets triviaals als het verwelkomen van een patiënt, maar een ander deel van mij had er toch wel een beetje de pest over in. Was ik dan niet belangrijk (genoeg) voor hem?

Het was toch niet niks waarvoor ik hier zat. Er doemde in mijn hoofd een stereotiep beeld op van een oudere man die in wapperende witte jas de afdeling opstoof, met in zijn kielzog jonge artsen in opleiding die hem nog net niet verafgoodden. (Ik hoop maar dat hij dit stukje niet leest: hij zal waarschijnlijk in een deuk liggen :-)) Maar toch: dat gebeurde wél allemaal in mijn hoofd. Omdat hij er niet was en mijn brein daardoor de kans kreeg allerlei zaken in te vullen die er waarschijnlijk helemaal niet waren.

Ik had deze vriendelijke jonge vrouw inmiddels voorgesteld mij te tutoyeren. Ze reageerde  met ‘Ik zal mijn best doen. Hoeveel medicijnen slikt u?’ Ik had een beetje met haar te doen: ik maakte het haar kennelijk niet makkelijk. Ik besloot mijn behoefte rapport met haar op te bouwen op te geven en verder een keurige patiënt te zijn. We zouden elkaar waarschijnlijk vaker zien en elkaar daardoor beter leren kennen. En misschien ook niet. Want de behoefte een vertrouwensband op te bouwen moet van twee kanten komen.

Misschien was het teveel gevraagd van een jonge arts met één been in mijn wereld te gaan staan. Wordt artsen dat überhaupt geleerd in de opleiding? Maakt dat het vak misschien te zwaar? Misschien heb je juist afstand tot je patiënt nodig om dit vak goed te kunnen uitoefenen en belemmert zelfs een lichte affectie je oordeelsvorming. Met een dik pak papieren in mijn hand nam ik afscheid van haar. Ik had behoefte aan een stevige cappuccino.

sterren Gepubliceerd: donderdag 19-07-2012 | Reacties (2)

Reacties

Reageer op dit artikel

  • Margot, Veenda
    20-07-2012 14:46

    en oh, daar begon je artikel over: ja, ook ik vind het ontzettend prettig als je op gelijkwaardige voet met je arts kunt zijn. Ik heb in het begin de oren van zijn hoofd gevraagd omdat ik mijn ziekte en de werking van de medicijnen wilde begrijpen. Er is niets vervelenders dan een arts te hebben die je als een dom onwetend schepseltje behandeld en je het gevoel geeft dat 'je maar gewoon naar ome dokter moet luisteren' :-)

  • Margot, Veendam
    20-07-2012 14:43

    Hoi Brenda! leuk artikel!
    als je deze arts vaker en langer zult spreken, zal zij vanzelf je/jij tegen je zeggen.
    Ik heb al sinds eind april 2003 een vaste arts in het UMCG, dat begon ook met u, maar hoe vaker we elkaar zagen, hoe beter we elkaar leerden kennen, hoe groter het vertrouwen van mijn kant werd en ja, uiteindelijk werd het mijn voornaam en zijn voornaam en je en jij.
    Maar in die 9 jaar dat ik er nu kom, heb ik nog nooit een jonge aankomende arts een oudere ervaren arts zie verafgoden :-))
    Komt vast goed!




Het lot is je niet altijd goed gezind

“Geachte mevrouw De Coninck,

Zojuist hebben we gerandomiseerd, en heeft de computer u helaas - waar u en wij al bang voor was/waren - in de TACrolimus-arm geloot. Daarom hoeft u morgen alleen te prikken, de bloeddruk, pols, gewicht, lengte en temperatuur worden gemeten en genoteerd, er wordt een volledig lichamelijk onderzoek gedaan, en daarna moet er nog een ECG gemaakt.”

‘Zie je wel. Ik zei het je toch?!’ ‘Wat is er?’ Mijn man kijkt vanaf zijn bureau naar die van mij en naar het scherm van mijn computer, waarop een bericht is binnengekomen vanuit het UMCG. ‘Ik ben in de tac-arm geloot. Ik wist het gewoon, het voelde al meteen niet goed.’ ’Aaaah, dat méén je niet!’ Ik kijk hem aan en ik ben heel…..tja, wat ben ik eigenlijk? Teleurgesteld? Uiteraard. Maar er is nog iets. Ik kijk hem aan en voel het: ik ben boos!

Lees meer »

Een onbestemd gevoel »

‘Je moet er niet door achteruitgaan hoor’ zegt mijn man. ‘Je bent destijds niet voor niets van de Prograft afgegaan en dan zou je dat nu weer moeten slikken? Je ben net lekker ingesteld.’ Ik zucht. We zitten in de huiskamer te relaxen en ik heb mij net hardop afgevraagd wat ik moet doen: wel of niet aan het onderzoek meedoen? Hij heeft gelijk: ik wil er niet onder hoeven ‘lijden’.

Lees meer »

De Tac-arm... »

‘Zullen we over drie maanden afspreken?’ vraag ik. Ik heb het gevoel dat het nu wel kan. Na twee jaar van zoeken, aanpassen, controleren en verfijnen, ben ik perfect ingesteld. Marnix kijkt mij in de spreekkamer aan. Hij zit aan de andere kant van de tafel en schuift even met zijn muis over zijn bureau, terwijl hij de uitslagen op het scherm controleert. ‘Dat wilde ik ook al voorstellen’ glimlacht hij. Mooi, denk ik.

Lees meer »







NierNieuws en zijn adverteerders maken soms gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.
Ons Pricaystatement vindt u hier