Orgaandonoren moeten worden getest op Q-koorts
Door Jeroen van Setten
In Nederland zijn besmette melkgeiten
en melkschapen de belangrijkste bron
van Q-koorts bij mensen.
Nierdonoren en donoren van andere organen moeten volgens de Gezondheidsraad worden getest op Q-Koorts. Er is meer onderzoek nodig om te bepalen of het zinvol is om bloeddonoren en donoren van bijvoorbeeld hoornvliezen ook te testen.
De kans dat besmetting met Q-koorts plaatsvindt via organen of andere lichaamsmaterialen verschilt. Als het risico laag is, zijn geen maatregelen nodig. Dan gaat het bijvoorbeeld om hoornvliezen en materialen die al voor de Q-koortsuitbraak in 2007 zijn afgenomen. Donoren van organen, zoals nieren, en materialen waarbij het risico op overdracht groter is zouden wel getest moeten worden.
De Gezondheidsraad adviseert de kosten en baten van een test eerst in beeld te brengen alvorens hierover te besluiten. Bij orgaandonatie zijn wel altijd maatregelen nodig om overdracht van Q-koorts te voorkomen. Overigens zal besmet materiaal soms toch gebruikt kunnen worden, bijvoorbeeld als orgaan- of stamceltransplantatie levensreddend is. In zo’n geval is het ook belangrijk te weten of er besmetting met Q-koorts is, omdat de arts dan antibiotica kan voorschrijven.
Q-koorts is een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Coxiella burnetii. De ziekte kan van dieren op mensen overgaan. In Nederland zijn vooral besmette melkgeiten en melkschapen de bron van de ziekte bij mensen. Sinds 2010 neemt het aantal besmettingen met Q-koorts in Nederland af, maar er is wel een aantal patiënten met chronische Q-koorts.
Het is volgens de Raad ook goed mogelijk dat mensen de bacterie bij zich dragen maar daar geen verschijnselen van hebben. Een test zou speciaal die mensen tijdig moeten identificeren.
|
HLA-mismatch transplantatie zonder blijvende medicatie al mogelijk
Vijf jaar geleden rapporteerden onderzoekers van het Massachusetts General Hospital over vijf patiënten bij wie ze een gelijktijdige nier- en beenmergtransplantatie hadden uitgevoerd. Al deze patiënten vertoonden een HLA-mismatch met hun donor, wat betekent dat er onder normale omstandigheden afstoting zal optreden. Vier van de vijf hadden destijds geen afweeronderdrukkende medicijnen nodig om de nier te behouden, omdat er door de beenmergtransplantatie een geslaagde mix tussen hun eigen immuunsysteem en dat van de donor was ontstaan. Inmiddels hebben ze deze ingreep bij nog eens vijf patiënten uitgevoerd.
Tijdelijk geen doorbloeding bij niertransplantatie leidt tot chronische afstoting
Een traag op gang komende nier waarbij dialyse nodig is in de eerste week na transplantatie, is meestal het gevolg van schade door een tijdelijk gestopte doorbloeding. Het komt regelmatig voor, zeker nu het aantal non-heart-beating donoren toeneemt. Een traag op gang komende nier heeft een grotere kans op acute afstoting en heeft gemiddeld een kortere levensduur.
Te weinig vitamine D slecht voor nieuwe nier
Nierpatiënten die enige maanden na hun transplatatie een lage spiegel van de inactieve vorm van vitamine D in hun bloed hebben, lopen een groter risico op chronische nierschade en het verlies van hun nier. Het risico op overlijden neemt niet toe. Dit resultaat van Frans onderzoek roept de vraag op, of het zinvol is nierpatiënten die getransplanteerd worden een vitamine D-supplement te geven.

Gepubliceerd: dinsdag 16-08-2011


NierNieuws is onafhankelijk van bij de materie betrokken (semi-)commerciële en (semi-)overheidsinstelling.
Niernieuws heeft geen financiële connecties met patiënten- verenigingen of andere soortgelijke organisaties of
stichtingen.
Reageer ook op dit artikel