Onderscheid nierziekten door genetisch materiaal in urine
Door Gerard Kok
Bij patiënten met een ziekte aan de filtereenheden in de nieren is meer genetisch materiaal van bepaalde eiwitten te vinden in de urine dan bij gezonde proefpersonen. En tussen patiënten met verschillende van deze ziektes verschilt de genetische expressie ook. Dat kan helpen een onderscheid te maken tussen verschillende aandoeningen, die niet altijd goed te onderscheiden zijn.
Podocyten zijn cellen die onderdeel uitmaken van de wand, het membraan, van de glomeruli. Glomeruli zijn de filtertjes in de nieren, waar het bloed wordt gefiltreerd tot voor-urine. Veel ziekten waarbij het filtratieproces primair verstoord is, zijn te herleiden tot defecten aan eiwitten in de podocyten. Spaanse artsen hebben onderzocht of de genetische expressie in de urine bij patiënten met een glomerulaire nierziekte van een specifiek antigeen dat het immuunsysteem in gang zet, een verband vertoont met die van eiwitten in de podocyten.
Tussen 2006 en 2009 onderzochten de artsen 69 patiënten met een glomerulaire nierziekte, en 14 gezonde deelnemers. De urine van alle deelnemers werd vervolgens onderzocht op de aanwezigheid van boodschapper RNA van de eiwitten B7-1 (ook wel CD80), en NPHS1 (nefrine), die beide een sleutelrol bij ziekten van de podocyten vervullen. Boodschapper RNA (mRNA) is het stadium tussen DNA en eiwit; DNA wordt gekopieerd tot mRNA, en op basis daarvan wordt een eiwit gesynthetiseerd.
De onderzoekers ontdekten dat de urine van de patiënten verhoogde niveaus van B7-1 en NPHS1 mRNA bevatte vergeleken met de urine van de gezonde deelnemers. Bovendien bleek dat patiënten met FSGS (focale segmentale glomerulosclerose) een duidelijk andere verhouding tussen B7-1 en NPHS1 niveaus hadden dan patiënten met MCD (minimal change disease), een andere glomerulaire nierziekte.
De artsen concluderen dat het onderzoeken van urine op B7-1 en NPHS1 mRNA niveaus kan helpen een onderscheid te maken tussen patiënten met FSGS en MCD.
|
Risico op gebroken heup onveranderd hoog bij dialysepatiënt
Heupfracturen komen nog steeds vaak voor bij nierpatiënten, ondanks de vooruitgang die de laatste jaren is geboekt bij het behandelen van nierziektegerelateerde botproblemen. Dit blijkt uit onderzoek uitgevoerd aan Stanford University (Californië, VS).
Met de achteruitgang van de nierfunctie verslechtert ook de mineraalhuishouding van de botten, met pijn in de botten en botbreuken tot gevolg. Dit wordt 'renale osteodystrofie' genoemd. Vooral heupfracturen zijn riskant; bij oudere patiënten is het risico op overlijden groot. Daarom is er de laatste decennia veel aandacht besteed aan de behandeling van renale osteodystrofie, maar uit het Amerikaanse onderzoek blijkt dat deze behandeling maar gedeeltelijk effect sorteert. Het risico dat een dialysepatiënt een heupfractuur oploopt is nog altijd vijf keer zo hoog als bij vergelijkbare niet-nierpatiënten.
'Uitlaatgassen gevaarlijk voor de nieren'
Onderzoekers uit Boston zijn op het idee gekomen de plaats waar iemand woont, te koppelen aan de nierfunctie. Ze waren benieuwd of de nabijheid van een weg waar veel uitlaatgas wordt geproduceerd, samenhangt met een slechtere nierfunctie. Het was al bekend dat de nabijheid van een grote weg een risico vormt op hart- en vaatziekten.
'Onderscheid acute en chronische nierschade bij spoedopname klopt vaak niet'
Traditionele markers zijn niet geschikt om in de eerste 24 uur het onderscheid te maken tussen blijvende en herstellende acute nierschade bij patiënten die op een intensive care belanden, schrijven Franse onderzoekers. Misschien betekent dat zelfs wel dat het onderscheid tussen beide vormen van schade niet zo zwart-wit is als tot nu toe gedacht wordt, trekken Australische wetenschappers de conclusie.

Gepubliceerd: dinsdag 19-04-2011


NierNieuws is onafhankelijk van bij de materie betrokken (semi-)commerciële en (semi-)overheidsinstelling.
Niernieuws heeft geen financiële connecties met patiënten- verenigingen of andere soortgelijke organisaties of
stichtingen.
Reageer ook op dit artikel